¶ Nr. 27.

Die Königskinder.

1Het waren twee conincskinderen,

si hadden malcander so lief,

si conden bi malcander niet comen,

het water was veel te diep.

2Wat stac si op? drie keersen,

drie keersen van twaelf int pont,

om daer mee te behouden

sconincs sone van jaren was jonc.