6‘Had gij er geweest een keizerin,

en ik er een markgraaf zijn zoontje bin,

zoo laat het u, mooi meisje, niet rouwen,

want morgen zal ik u trouwen.’

7‘Eer ik was uw getrouwde wijf,

veel liever verloor ik mijn jonge lijf;

eer ik was uw getrouwde huisvrouwe,

ik liet liever mijn hoofdje afhouwen.’

8Eer zij er dat woordje ten halve sprak,

haar hoofdje al voor haar voeten lag,