¶ Nr. 32.

Heimliche Liebe.

1Het meisje al over de vallebrug reed,

het buideltje van haar zijde gleed,

het zonk al na den gronde.

met een kwam daar een ruiter aan,

hij viste ’t in korte stonde.

2Toen zij haar buideltje weder zag,

van haar leven zag zij nooit droeviger dag,

aldaar stond in geschreven: