‘al wie verholen liefde draagt
moet zeven jaar lazerus wezen.’
3Z’ wist niet wat ze doen of laten most:
zij nam een mes en kwetste haar borst,
en zij ging het haar vader toonen:
‘ik ben er met lazerij besmet,
komt, ziet hier voor uwe oogen!’
4‘Wel, dochter, zoudt gij lazerus zijn?
gij bent er de liefste dochter van mijn,
gij bent er zoo schoon jonkvrouwe!