of daar moest eerst goed geldetje zijn
en dat wel zes en dertig gulden rein.
2Den eene trok uit zijne kleiders altemaal,
in zijn bloote hemdetje zoo ging hij staan.
met een quam daar zijn zoete lief aanrijden:
‘zoete liefje, wat hebt gij misdaan,
dat gij in uw bloote hemdetje moet staan?’
3‘Wat zoud’ ik hebben misdreven, zoete lievetje?
wat zoud’ ik hebben misdaan?
mijn kleidere staan te pande,