10Als hi te Bruinswijc binnen quam,

hoe weenden die vrouwen, hoe loeghen de man!

hoe wee was hem te moede!

11Mer weet ghi wat Claes molenaer sprac,

als hi daer voor die heren trat

met sinen lachenden monde?

12‘Heer schoutert, ghi hebt drie dochterkijn:

ghi meint datse alle drie maechden sijn,

mer lacen, si en sijn gheen van allen.

13Die een dat is mijn minnekijn,