en zij was alzoo zeer verslagen,

hei! gerusten en konde zij niet.

2‘Verslaat u niet zoo zeere,

mijn overschoon zoete lief!

ik bender een jonger held zeer schoone,

hei! van herten heb icker u lief.’

3‘Bent gijder een jonger held zeer schoone,

en wist ik dat voorwaar,

ik zou mijn jonger hert bedwingen,

hei! mijn treuren was alle gedaan.’