4‘Zou gijder uw jonger hert bedwingen

en was alle uw treuren gedaan,

zoo ziet zoo ver al in ’t noordoosten,

hei! daar komter den dageraad aan.’

5‘Het isser voorwaar den dageraad niet,

maar ’t isser de maan zijn schijn,

het zijn de sterren die ons lichten,

zij verheugen het herte van mijn.’

6‘Zijn dat de sterren die ons lichten,

verheugen zij ’t hertje van jou,