1Daer zoud er een ruitertje vroeg uitrijen,
’t was om een landsheer zijn dochter te vrijen
zoo veer aan geen groen heiden.
de landsheer doet hem gevangen geboeid
op een hoogen toren leiden.
2De ruiter heeft er zeer luide gezongen:
‘ik heb zoo menig stout ruiter gedwongen,
en nou zit ik hier gevangen;
de landsheer heeft gezworen mijn dood,
dat hij mij zel doen ophangen.’