3De landsheers dochter noch jong van dagen,

zij hoorde de ruiter zoo droevelijk klagen

en zij ging onder de muren:

‘stout ruitertje, dat jij sterven moet,

och! dat doet mijn jong hart truren.’

4‘Mooi meisje, kon jijder behouden mijn leven,

wat jij begeerde zoud’ ik jou geven

en ik zou jou met mijn leiden

en voeren jou op mijn vadertjes slot,

daar ik nooit van jou zou scheiden.’