5‘Stout ruiter, jouw bidden is al verloren,

mijn vader die heeft jouw dood gezworen,

maar wilje mijn, zoetelief, trouwen,

ik hebje, stout ruiter, zoo zeere bemind,

datje zelt jouw lijf behouwen.’

6Zij liet haar vadertjes wachter ontbieden

en liet haar vadertjes komst verspieden,

en zij liet de ruiter ontbinden;

die zadelde daar een appelgraauw ros

en reed heen met zijn beminde.