daar wouden zij meester van zijn.

2Zij quamen tot een waardinne:

‘waardinne, tapt ons er de wijn!

al wat wij hier verteeren

en versmeeren,

daar zal ik u borg voor zijn.’

3‘Waar om zoo zoud ik u borgen?

gij hebter geen geld noch pand,

als kaf en lichte veêren

zijn uw kleêren,