gij komter uit bijster land.’
4De meid sprak tot de vrouwe:
‘vrou, tapter de gasten vrij wijn!
laat haar hart ophalen,
’k zal’t betalen
al watter verteerd zal zijn.’
5Doe sprak de waard met morren:
‘hoe spreekt ons maget zoo boud?
zij zullen domineeren
en verteeren