al uw zilver en rood goud.’
6‘Hoe zouden zij verteeren
mijn zilver en rood goud?
ik heb noch duizend kroonen
die zijn schoone
en ook van jaartjens oud.’
7Doen sprak er de jongste van drien:
‘’k wou dat er dat meisken was mijn!
ik zou haar vrolijk leiden
langs groen heiden