de ruiter hing daer zijn mantel veur.
18‘Zoet liefje! wilt gij wat van mij treden!
maar als ik ween, komt gij dan weder!’
19Eer dat zij weende was ’t meisje dood,
doe was de ruiter in grooten nood.
20De ruiter lei er zijn hoofd op een steen,
van rouwe brak er zijn hart aen tween.
Holländisch: Het Speelschuitje met vrolijke Naay-Meisjes, Amst. 1780. (Willems Nr. 231).—Dr. 7, 2. dat oude wijfs.