haar eertjen heb geschonden.

5Dat meisken viel op beî haar knien

zugten en weenen en droevig kermen.

ik hadde een herte als een steen,

ik wist van geen ontfermen.

6Nu heb ik mijn booze wille volbragt,

dat valt mij, eilaas! indagtig.

ik en heb te voren niet wel gedagt,

helaas! nu valt zij klagtig.

7’s Morgens vroeg, het wierd schoon dag,