mijn kapitein kwam na mijn vragen,
toen ik der nog vaste in mijn ruste lag,
de deur wierd op geslagen.
8Nu moet ik een gevangen man zijn,
zitten op een zoo hoogen toren,
in boeijen gesloten, het doet er mijn pijn,
ik geef de moed niet verloren.’
9’s Morgens vroeg zonder respijt
men hoorde de revelje slagen,
den Zwitzer wierd buiten de poorte geleid