plant uwen mei daer buiten!’
3‘O suiverlike jeucht,
wilt nu uw rusten laten!
doet op dijn veinsterkijn
ende coomt uw lief ter spraken!
al om te vinden troost
so ben ic hier tot u ghecomen.
staet op, lief, wilt ontfaen
den mei met sinen bloemen.’
4‘Al stondi daer tot morghen,