ic en sal u niet in laten.

mijn boel leit hier verborghen,

ghi en condt mi niet vermaken.

mijn herteken op u niet en past

noch op gheen spel van luiten.

mijn beddeken heeft sinen vollen last:

plant uwen mei daer buiten!’

5‘Ic sie den lichten dach

al door die wolken dringhen;

ic sie die bloemkens schoon