die daar in de wilde woude staan,

behalven een klein boomken,

dat en kander geene loveren ontfaan.’

2Wat zoude ik loveren dragen,

ik en heb er geen wortelkijn.

mijn zoete lief is uit den lande,

hei! hoe zeere verlanget mijn!

3Ik en magze zien noch hooren spreken,

hei! quaa klappers die benijden dat’s mijn.

ik wou dat alle de quaa nijders