en quaa klappers waren over den Rijn!
4En ik met mijn zoete waarde liefjen
waar gesloten in een duister kamerkijn,
hoe luttelijk zoude ik vragen,
hei! wanneer het schoon licht dag zoude zijn!
5Het daget in het Oostnoordoosten,
hei! dat doeter mijn jong hertje zoo wee:
te scheiden van mijn zoete liefjen,
hei! dat breekter mijn jong hertje aan twee.