daar de geele goudroosjes staan
en daar zal ik jou trouwen voor mijn vrouwe.’
3‘Ik wilder niet met jou rijden,
ik wilder niet met jou gaan,
mijn moeder zouder mijn schelden,
mijn vader zou mijn slaan
en ik zou alzoo zeer geslagen worden.’
4‘Waarom zou moeder jou schelden,
waarom zou vader jou slaan?
gij hebt de geele goudroosjes