gaat maar na huis toe stille
en toont u onbevreesd.
want het rouwt mijn en ’t is mijn leed,
dat u dat mooije meisje
zoo zeer bedrogen heeft.’—
3‘Ik ging nog gister avond
zoo heimelijk aan den dans,
al voor mijn zoete liefs deurtje
die ik er gesloten vand.
ik roerde, ik klopte aan den ring: