tot aan den morgen vroeg.
¶ 1, 3. verbeiden, warten—1, 3. verslagen, in Angst und Unruhe—2, 4. onbevreesd unerschrocken.
¶ Nr. 129.
Abkühlung.
1‘Waakt op, waakt op, ’t is meer dan tijd!
wij hebbe verslapen dat’s beide ons tijd,
en ik hoorde des wachters stemme,
schiet mijnder tot uwen klein venster uit,
ik zalder zoo lustig zwemmen.’