2Die maagd die heeft het zoo haast verstaan,
zij is na haar slaapkamer gegaan,
na haar slaapkamer zeer rasse.
zij schoot hem tot haren klein venster uit
in een zoo diepen grafte.
3Doe hij er dat graftje ten halven quam,
zijn vaders hooge toorn dat hij er vernam,
van graauwe steenen de muuren.
‘gants zelden is dat van vrouwen gekomen:
het zwemmen valt mij zoo zuure!’