4Doe hij er dat graftje ten einde quam,
zijn kleederen onder zijn arrem hij nam
en hij sprong op ’s heeren straten.
hij klopten aan een klein venstertje aan,
daar heeren en krijgslui zaten.
5Zijn vrienden riepen verblijd van geest:
‘o knaapje, waar hebje zoo lange geweest?
wij hebben van u niet vernomen,
of heeft u een heere hier overgebracht?
wij meenden, gij waart verloren.’