1Wie wil hooren een nieuw lied?
hoort toe, ik zal ’t u gaan verklaren
al van een oostindischvaar met zijn lief,
hoe zij beide in zorge waren.
2‘Zoete lief, als gij na Oostindien vaart,
hoe lang zal de reis duren?
mocht ik u om ’t jaartje eens wederzien
en zoo goelijken avonturen?’
3‘Zoete lief, dat mag alzoo niet zijn:
zet mij derd’half jaar uit zinne,