en draagter stadig liefde tot mijn

en kijkt te met zeewaart inne!’

4‘Of ik er al zeewaart inne kijk,

ik en mag u zien of spreken.

als gijder uw buidel vol daalders draagt,

zult gij mij dan ook vergeten?’

5‘Schoon lief, betrout gij mij dat wel toe?

zoud’ ik doen als de ontrouwe?

ik hebber geen liever op aarden als jou,

hei! de fleur van schoon jonkvrouwen!’