2‘Zeg, kwezelken, wilde gy dansen?

ik zal u geven een koe.’

wel neen ik, zeî dat kwezelken,

van dansen word ik te moe.

’k en kan niet dansen,

’k en mag niet dansen:

dansen is onze regel niet,

begyntjes of kwezelkens dansen niet.

3‘Zeg, kwezelken, wilde gy dansen?

ik zal u geven een paerd.’