De roekelooze reis u af te raden.

Toen braakt gij beiden roeiend door de baren

En dektet onder uwen arm de deining,

Gij maat de zeebahn, zwaaiend met de handen,

Doorgleedt de waterwieling, schoon met golven

De kil opklotste bij des winters branding.

Op deze wijze wurmdet gij te gader

Wel zeven nachten in ’t bezit der zeeën.

Doch gene ging in vaart u ver te boven;

Hij had toch meerder macht. De strooming stuwde