Een haan is stout op zijn eigen erf. A cock is valiant on his own dunghill.
Een half woord is bij hem genoeg. Half a word to the wise is enough.
Een hond aan een been kent geene vrienden. A dog with a bone knows no friend.
Een hongerige buik heeft geen’ ooren. A hungry belly has no ears.
Een houdaar is beter dan twee gij zult het hebben. One Take-this is better than two You-shall-haves.
Een huis van leem, een paard van gras, een vriend van mond, ’t is al maar glas. A plaster house, a horse at grass, a friend in words, are all mere glass.
Een huis vol dochters is een kelder vol zuur bier. A house full of daughters is a cellar full of sour beer.
Een ieder is meester in zijn eigen huis. Every man is master in his own house.
Een ieder is prediker onder de galg. Every one is a preacher under the gallows.
Een jong ooi en een onde ram, daar komt jaarlijks een lam van. A young ewe and an old ram, every year bring forth a lamb.