Hij gaapt als een boer op eene jaarmarkt. He gapes like a clown at a fair.
Hij heeft den bijbel wel in den mond, maar niet in het hart. He has the Bible on his lips, but not in his heart.
Hij heeft den wolf gezien. He has seen the wolf.
Hij heeft de schrift vast den bijbel van 52 bladen. He studies the Bible of fifty-two leaves (a pack of cards).
Hij heeft eene ton vol kennis, maar de bodem is er uit. He has a ton of knowledge, but the bottom is out.
Hij heeft eene wolfs-conscientie. He has a wolf-conscience.
Hij heeft een goede meening, maar eene kwade uitspraak. He means well, but has a bad way of showing it.
Hij heeft hem onder den duim. He has him under his thumb.
Hij heeft het nest-ei verloren. He has lost the nest-egg.