A. J. WITTERYCK.
Voorzitter van den Belgischen Esperantischen Bond.
Januari 1913.
II.
De 10 Opwerpingen van Ido tegen het Esperanto weerlegd.
Wij geven hieronder de vertaling van een rondschrijven, door duitsche esperantisten onlangs uitgegeven, in antwoord op de beweringen van een ander rondschrijven, door de duitsche idisten verspreid.
1. Alphabet.—«Ido gebruikt het gewoon internationaal alphabet, en heeft dus geene beteekende letters.»
In het Esperanto-alphabet zijn de regels der phonetiek, welke anderszins door de theoretiekers van Ido vereischt worden, ten strengste nageleefd. Alleen in Esperanto, niet in Ido, komt aan iederen klank een teeken toe en beduidt elk teeken maar éénen klank. Verder is het Esperanto-alphabet meer geschikt tot het vertalen van eigennamen, en bijzonder van geographische namen. Het is ook praktischer en korter, ŝ en ĉ te schrijven dan sh en ch waarvan het laatste in de verschillende nationale talen op verschillende wijze wordt uitgesproken. De Esperantische ŝ, ĉ, enz., kunnen evenmin als een terugstap tegenover sh en ch aangezien
worden, als de Duitsche ö en ü tegenover oe en ue. Door de dubbele rol, welke de idistische j vervult, ontstaan onnatuurlijke woordvormen, zooals jenante, injeniero, jeneroza, enz. De geringe nadeelen, welke de boventeekens voor het drukken kunnen teweegbrengen, kunnen, zooals de Ido-Boekdrukkerij het wel weet, vermeden worden en verdwijnen meer en meer door de steeds aangroeiende uitbreiding van Esperanto.
2. Klemtoon.—«Ido heeft eenen natuurlijken klemtoon (filio), niet eenen stijven, onnatuurlijken zooals Esperanto (filio).»