12‘Bij jou of bij jou schildeknecht niet

noch bij jou onderzaaten.

heer koning, gy hebter een dochterkijn,

wou gijder mijn dat toelaten?’

13’s Nachts, omtrent der middernacht,

het meisken weende zeere.

‘wie heeftet mijn jongste dochter gedaan,

of gesproken al aan haar eere?’

14‘Niemand en heefter mijn leed gedaan

noch gesproken al aan mijn eere.