het wereldswijf isser zoo moede gegaan,
zij kan haar wenden noch keeren.’
15De vader haald’ op zijn slinker hand,
hij sloegze onder haar wangen,
zoo datze neder ter aarden viel,
de traanen schoten over haar wangen.
16‘O vader, zeide zij, vader van mijn!
die slag zal u berouwen:
als morgen ochtend dat haantjen kraait,
groot wonder zult gij daer aanschouwen.’