zy gaen met hunne boerinnen te bier

en zy maken zeer goeden cier.

den bezem steekt ten venstren uit,

men danst er, men speelt er al op de fluit,

op potten, op pannen,

op glazen, op kannen,

op allerhande geluid;

op messen, op schuppen, op ’t zoute vat,

op hangel, op tangel, op dit en op dat,

op ’t trommeltje rom dom domme dom dom,