den eenen draagt nooten muschaten,
hei! den ander die draagt nagelen fijn.
9Die nagelen smaken alzoo zoete,
o de nootjens bennen alzoo rond:
ik hooper noch t’ avond te kussen
hei! mijn zoete liefjens rooder mond.
10De nagelen, noote muschaten,
hei! dat isser zoo goed malenkruid,
dat zullen wij de mooie meisjes schenken
hei! wanneer zij zullen zijn de bruid.