daar staan twee boompjes klein,

den een draagt nooten van muskaten,

schier over der heiden,

den anderen draagt nagelen fijn.

3De nooten zijn zoo ronde,

kruidnagelen ruiken zoo zoet:

ik meende dat mij vrijdde een ruiter,

schier over der heiden,

nou is het een arme bloed.’

4Hij nam ze bij der handen,