gij meugt wel weder naar huis toe gaan,

gaan t’ huis wat leggen slapen,

Lief mondelijn rood!

ik zalder u niet inlaten.’

4‘Staat daar een ander in uw hert geprent,

van de min word ik versmeten.

mogt ik eens weten, wie het mij doet!

het wordt mij dikmaals verweten,

Lief mondelijn rood!

wat hebben wij een schoone tijd versleten!’